Hij had geen keus. Moest er snel vandoor. Die monsters wachten niet.
Hij had het goed gespeeld, maar toch een foutje gemaakt. Een vermomming lag voor de hand, je moet alleen geen andere herkenningstekens vergeten te verhullen. Nu kon hij zich wel voor de kop slaan. Met behulp van een hoed, een baard en het dragen van andere kleding had hij zich onherkenbaar gemaakt. Toen echter zijn onmiskenbare Jeeves en Wooster-ringtone klonk, kon hij wel door de grond zakken. Hij had de muziek niet gewijzigd. Niet het standaard deuntje dat bij dit merk mobiele telefoon hoort weer ingesteld.
Zijn geluk was dat de trein nog op een station stond. Daardoor was hij in staat vliegensvlug te acteren. Snel opstaan, tas mee, de dichtstbijzijnde deur naar buiten, zich mengen in de massa, de roltrap naar beneden nemen en rennen, vooral blijven rennen. Hoelang hij inmiddels rende weet hij niet, maar hij houdt het al ongelooflijk lang vol. Vroeger, zo’n 15 jaar geleden, was dit heel normaal voor hem. Sport, daar leefde hij voor. Hij had zo’n goede conditie, kon makkelijk een marathon lopen als hij dat wilde. Nu dacht hij ook een marathon te lopen, maar met een andere, hogere intensiteit. En een veel hogere urgentie, zijn leven stond op het spel.
Goed dat hij zijn tas nog kon meegrissen. Zijn onmisbare metgezel. Hierin verstopte hij altijd de ‘noodzakelijke hulpmiddelen’, voor het geval zijn situatie drastisch zou veranderen: touw, knipmes, hamertje en plastic zak. Hij heeft ze regelmatig moeten gebruiken. Ze waren allemaal nog aanwezig, de gedachte daaraan gaf hem een nieuwe boost om nog veel langer door te blijven rennen.
Al die tijd, vanaf het moment van opstaan in de trein tot nu, had hij niet eenmaal achterom gekeken. Hij bevond zich niet meer in de buurt van het station. Niet eens meer in de buurt van een stad. Overal waar hij keek, zag hij alleen maar zand. Zand en rotsen. En hij voelde die verzengende hitte. Zijn kleding was volledig doorweekt, hij had het zo ontzettend warm, en toch had hij genoeg inhoud en kracht om door te blijven gaan.
Plots zag hij op de grond een donkere plek om zich heen verschijnen. De vlek leek met hem mee te bewegen. Hij probeerde de vlek kwijt te raken door schijnbewegingen naar links en rechts te maken, maar de vlek bleef. Toen keek hij omhoog. Een reusachtige helikopter was boven hem komen zweven zonder dat hij het gemerkt had. Uit de helikopter kwam een touw naar beneden met een lus eraan. Wilden ze dat hij het touw zou grijpen om naar boven getild te worden? Mooi niet! Hij begon nog iets harder te rennen.
Het touw begon te bewegen en schoot razendsnel naar hem toe, de lus viel om zijn nek en werd strakker getrokken. Nog steeds rennend probeerde hij het touw losser te trekken, maar het tegengestelde gebeurde. Hij begon naar adem te happen, het touw trok steeds strakker om zijn keel. Hij begon langzaam het bewustzijn te verliezen en voelde zware slagen op zijn rug, alsof hij werd bekogeld met zakken zand…
‘Tom! Tom! Word wakker! Wat ben je aan het doen?!’ Lotte was wakker geworden van het getrap van haar man, die ook nog eens rochelende geluiden aan het maken was. Ze deed het licht aan en zag Tom liggen met een sjaal om zijn nek. Háár sjaal. De sjaal die ze op het bed had klaargelegd om morgen te dragen, maar die ze was vergeten bij haar andere kleren te leggen. Ze schoot op haar man af, pakte de sjaal uit zijn handen en maakte de sjaal losser rond zijn nek.
Ze was nog net op tijd, Tom was niet gewurgd en begon weer normaal te ademen. Wat had ze moeten zeggen tegen de politie als ze wakker was geworden naast haar gewurgde man, met háár sjaal om zijn nek? Ze zouden haar nooit geloven.
